OEFENINGEN
Positiespel en rondo's: 8 oefeningen voor je voetbaltraining
Positiespel draait om balbezit: met overtal de bal rond laten gaan, aanspeelbaar blijven en het moment kiezen om door te spelen. Rondo's zijn de kleinste vorm daarvan. Hieronder vind je acht oefeningen, van een 3 tegen 1 voor de jongste pupillen tot een 6 tegen 4 naar doel voor de JO13 en ouder.
Wat is positiespel?
Bij positiespel probeert een team de bal in de ploeg te houden tegen een kleiner aantal verdedigers. Spelers leren de ruimte groot te maken, open te staan voor de bal en te bewegen na hun pass. Omdat de aanvallende partij altijd in overtal speelt, slaagt de oefening vaak genoeg om het leuk te houden, en de verdedigers zorgen voor echte druk.
Rondo of positiespel: wat is het verschil?
Een rondo is een positiespel in een klein vak waarbij de aanvallers meestal aan de rand staan en de verdedigers in het midden. Zodra spelers vrij door het vak bewegen, richting hebben (naar een lijn, zone of doel) of er meerdere teams meedoen, spreek je van positiespel. Begin met rondo's en bouw in de loop van het seizoen op naar positiespel met richting.
Positiespel per leeftijd
Voor de JO8 en JO9 werk je met grote overtallen en kleine aantallen: 3 tegen 1 of 4 tegen 1. Vanaf de JO10 en JO11 kun je naar 5 tegen 2 en positiespel met kaatsers. Vanaf de JO13 voeg je richting en doelen toe, zodat het balbezit een doel krijgt: doorspelen, inspelen en scoren.
Oefening 1
Rondo 3 tegen 1
De eerste stap in positiespel: met z’n drieën de bal rond houden tegen één tikker.
- Leeftijd
- JO7 tot JO9
- Spelers
- 4 per groep
- Duur
- 8 tot 10 minuten
- Veld
- 6 × 6 meter
Organisatie
- Zet een vak van 6 bij 6 meter uit met vier pionnen.
- Drie aanvallers staan op de lijnen, één verdediger staat in het vak.
Verloop
- De aanvallers spelen de bal rond. Ze mogen langs de lijnen bewegen, maar niet het vak in.
- De verdediger probeert de bal te onderscheppen of uit het vak te tikken.
- Wie de bal verliest, wordt de nieuwe verdediger.
Coachpunten
- Sta open: zorg dat je zowel de bal als de verdediger ziet.
- Beweeg na je pass naar de lege hoek, zodat je teamgenoot twee aanspeelmogelijkheden heeft.
- Speel in de voet die het verst van de verdediger af staat.
Varianten
- Lukt het makkelijk? Maak het vak kleiner of geef maximaal twee balcontacten.
- Tel het aantal passes: haal je er tien, dan scoort je groepje een punt.
Oefening 2
Rondo 4 tegen 1
De klassieke rondo: vier spelers aan de rand, één in het midden.
- Leeftijd
- JO8 tot JO11
- Spelers
- 5 per groep
- Duur
- 10 tot 12 minuten
- Veld
- 8 × 8 meter (JO8: 7 × 7 meter)
Organisatie
- Vak van 8 bij 8 meter. Op elke zijde staat een aanvaller, de verdediger staat in het midden.
Verloop
- De vier buitenspelers houden de bal rond, de middenspeler jaagt.
- Bij onderschepping of een bal buiten het vak wisselt de speler die de fout maakte met de verdediger.
- Wissel in elk geval na 90 seconden, zodat niemand te lang in het midden staat.
Coachpunten
- Kies het juiste moment: speel naar de speler die de verdediger niet afdekt.
- Neem de bal aan met de verste voet, zodat je direct verder kunt spelen.
- Verdediger: sluit één passlijn af met je lichaam en dwing de aanvaller naar de andere kant.
Varianten
- Maximaal twee balcontacten, of vanaf de JO11 één balcontact.
- Een pass tussen benen van de verdediger door telt als bonuspunt.
- Leg twee ballen in het spel en voeg een tweede verdediger toe.
Oefening 3
Rondo 5 tegen 2
De meest gebruikte rondo in het jeugd- en seniorenvoetbal: twee verdedigers moeten samenwerken.
- Leeftijd
- JO10 tot senioren
- Spelers
- 7 per groep
- Duur
- 12 tot 15 minuten
- Veld
- 10 × 10 meter (senioren: 12 × 12 meter)
Organisatie
- Vak van 10 bij 10 meter. Vijf aanvallers op de rand, twee verdedigers in het vak.
Verloop
- De aanvallers houden de bal rond. Een pass tussen de twee verdedigers door (door de poort) levert een punt op.
- Veroveren de verdedigers de bal of gaat hij uit, dan wisselt de speler die de fout maakte met de verdediger die het langst in het midden staat.
Coachpunten
- Zoek de pass door de poort, maar dwing hem niet af: wie geduldig rondspeelt, krijgt de ruimte vanzelf.
- Buitenspelers naast de balbezitter: maak de hoek groot, zodat er altijd een passlijn openligt.
- Verdedigers: druk samen. De eerste zet druk op de bal, de tweede sluit de pass door het midden af.
Varianten
- Zet de vijfde aanvaller als centrale speler in het vak; hij is altijd aanspeelbaar.
- Na tien passes op rij scoort het aanvallende team een punt.
- Verdedigers die de bal veroveren mogen naar een pion buiten het vak dribbelen voor een punt.
Oefening 4
Positiespel 3 tegen 3 + 3
Drie teams van drie: twee teams spelen samen tegen het derde. Veel omschakelen, veel balcontacten.
- Leeftijd
- JO10 tot senioren
- Spelers
- 9 spelers in drie kleuren
- Duur
- 3 blokken van 3 minuten
- Veld
- 15 × 15 meter
Organisatie
- Vak van 15 bij 15 meter met drie hesjeskleuren. Alle spelers bewegen vrij door het vak.
Verloop
- Twee teams spelen samen de bal rond tegen het derde team: 6 tegen 3.
- Het team dat de bal verliest, wordt direct het verdedigende team.
- Telt na elke pass: zes passes op rij levert een punt op voor beide balbezittende teams.
Coachpunten
- Omschakelen: na balverlies meteen druk zetten, niet eerst klagen over de fout.
- Maak het veld groot bij balbezit, met spelers op verschillende hoogtes.
- Kijk over je schouder voordat de bal komt, zodat je weet waar de ruimte is.
Varianten
- Maximaal twee balcontacten voor het team dat net heeft veroverd, vrij spel voor het andere team.
- Vergroot het vak voor de jongere groepen of bij minder techniek.
Oefening 5
Positiespel 4 tegen 4 met kaatsers
Gelijk aantal in het vak, met twee neutrale kaatsers op de korte zijden voor het overtal.
- Leeftijd
- JO11 tot senioren
- Spelers
- 10 (4 tegen 4 en 2 kaatsers)
- Duur
- 4 blokken van 3 minuten
- Veld
- 20 × 15 meter (senioren: 25 × 20 meter)
Organisatie
- Vak van 20 bij 15 meter. Twee teams van vier in het vak, op elke korte zijde staat een neutrale kaatser.
Verloop
- De kaatsers spelen mee met het team in balbezit, zodat het 6 tegen 4 wordt.
- Een punt scoor je door de bal van de ene kaatser via minimaal één teamgenoot bij de andere kaatser te krijgen.
- Wissel de kaatsers na elk blok.
Coachpunten
- Gebruik de kaatsers om de bal te verplaatsen, maar zoek ook het spel door het midden.
- Breedte en diepte: zet niet alle vier spelers op één lijn.
- Kaatsers: maximaal twee balcontacten en open staan naar de andere kant van het veld.
Varianten
- Kaatsers mogen maar één keer raken.
- Een punt telt dubbel als de bal binnen vijf seconden van kaatser naar kaatser gaat.
- Voeg een kaatser in het midden toe voor een 7 tegen 4.
Oefening 6
Rondo 4 tegen 2 met overspelen
Twee rondo’s naast elkaar: na vier passes speel je de bal over de middenzone naar de andere groep.
- Leeftijd
- JO11 tot senioren
- Spelers
- 12 (8 aanvallers en 4 verdedigers)
- Duur
- 12 tot 15 minuten
- Veld
- Twee vakken van 12 × 12 meter met 6 meter middenzone
Organisatie
- Twee vakken van 12 bij 12 meter met daartussen een middenzone van 6 meter.
- In elk vak staan vier aanvallers op de rand. Twee verdedigers staan in het vak met de bal, twee wachten in de middenzone.
Verloop
- De aanvallers spelen minimaal vier passes en spelen de bal daarna over of door de middenzone naar het andere vak.
- De twee verdedigers uit de middenzone schuiven door naar het andere vak, de andere twee lopen terug naar het midden.
- Onderschept een verdediger de bal, dan wisselt hij met de aanvaller die de fout maakte.
Coachpunten
- Kijk al tijdens het rondspelen naar het andere vak: welke speler staat vrij?
- De lange pass moet vlak en hard genoeg zijn om door het midden te komen.
- Verdedigers: schakel direct door, het andere vak begint meteen.
Varianten
- Mag de pass niet over de grond, dan oefen je de hoge bal.
- De middenverdedigers mogen de lange pass onderscheppen.
- Na de lange pass mag één aanvaller meelopen naar het andere vak voor een 5 tegen 2.
Oefening 7
Positiespel met eindzones
Balbezit met een doel: scoor door de bal aan te nemen in de eindzone van de tegenstander.
- Leeftijd
- JO11 tot senioren
- Spelers
- 8 tot 10 (4 tegen 4 of 5 tegen 5)
- Duur
- 4 blokken van 4 minuten
- Veld
- 30 × 20 meter met eindzones van 4 meter
Organisatie
- Speelveld van 30 bij 20 meter met aan beide korte zijden een eindzone van 4 meter diep.
- Twee teams van gelijke grootte. Niemand mag in de eindzone wachten.
Verloop
- Een team scoort door een teamgenoot aan te spelen die in de eindzone van de tegenstander loopt en de bal daar onder controle aanneemt.
- Na een punt krijgt de tegenstander de bal bij de eigen eindzone.
- Buitenspel geldt niet; wie te vroeg in de eindzone staat, is ongeldig.
Coachpunten
- Timing van de loopactie: start pas als de balbezitter de bal kan spelen.
- Balbezitter: kijk eerst naar de diepte, kies daarna pas de veilige pass.
- Zonder bal: zorg voor een korte en een lange aanspeelmogelijkheid.
Varianten
- Scoren mag alleen nadat het team minimaal vier passes heeft gespeeld.
- Voeg een neutrale speler toe die altijd met het balbezittende team meespeelt.
- Laat de speler in de eindzone de bal terugkaatsen in plaats van aannemen.
Oefening 8
Positiespel 6 tegen 4 naar doel
Positiespel met een groot doel en een keeper: opbouwen in overtal en op het juiste moment inspelen.
- Leeftijd
- JO13 tot senioren
- Spelers
- 11 (6 aanvallers, 4 verdedigers, 1 keeper)
- Duur
- 15 tot 20 minuten
- Veld
- 35 × 30 meter, groot doel met keeper en twee kleine doeltjes
Organisatie
- Speelveld van 35 bij 30 meter met aan één kant een groot doel met keeper, aan de andere kant twee kleine doeltjes.
- Zes aanvallers tegen vier verdedigers en de keeper.
Verloop
- De aanvallers bouwen op vanaf de kant van de kleine doeltjes en proberen te scoren in het grote doel.
- Veroveren de verdedigers of de keeper de bal, dan proberen ze binnen tien seconden te scoren in een van de kleine doeltjes.
- Elke aanval begint bij de trainer of de achterste aanvaller.
Coachpunten
- Geduld in de opbouw: speel rond tot er een vrije speler tussen de linies staat.
- Wissel van kant als de verdediging naar één kant schuift.
- Na balverlies direct druk zetten, zodat de verdedigers niet makkelijk kunnen scoren.
Varianten
- Scoren in het grote doel telt dubbel na een aanval van minimaal zes passes.
- Maak er 6 tegen 5 van als de aanvallers te makkelijk scoren.
- Een van de aanvallers is spits en mag alleen in de laatste tien meter komen.